IJsland van kust tot kust

Een solo-expeditie van 40 dagen dwars door vulkanisch niemandsland

13

Vindt de gemiddelde mens het populaire langeafstandspad Laugavegur al een prestatie, reisjournalist Jolanda Linschooten maakt er een tienkamp van: een trektocht van 675 kilometer langs fjorden, vulkanen, kraters, gletsjers en geisers. Helemaal alleen dwars door het IJslandse binnenland – zonder bewoners maar vol ontberingen.

Met de ruitenwissers in de hoogste stand hobbel ik in een terreinauto over een steenwoestenij. De achterbank ligt vol supermarktvoer; standaardspul als aardappelpuree en havermout, maar ook IJslandse verrassingen als harđfiskur: gedroogde vis in dunne, vezelige reepjes en licht van gewicht, maar die mijn hele rugzak hult in een aura van vislucht. Het is de oogst van een dag door Reykjavik rijden, van de ene winkel naar de andere. Daarvan moet ik twee zakken proviand samenstellen. De ene om achter te laten op een natuurcamping bij de warmwaterbronnen van Hveravellir, de ander is bestemd voor een benzinestation bij Hrauneyjafoss, nog een dag rijden verderop.

Nog twee uur stuiteren en dan moet ik bij Hveravellir zijn. Ik ben moe, zou nu wel willen stoppen. Maar langs de weg kamperen – ook al is het een stille als deze over de Kjölur-hoogvlakte – doe ik liever niet. Hier voel ik me onveiliger dan straks in de bergen, ver weg van alle wegen. Ik rijd door. Het enige beschikbare cassettebandje laat Björk horen, voor de tiende keer. Haar hoge zang wordt overstemd door de herrie van de hardwerkende motor en de regen. De auto ploegt door diepe plassen, de wind rukt aan het stuur. Sinds ik hier twee dagen geleden arriveerde, is het nog geen moment droog geweest. Vanachter de ruitenwissers, met de kachel aan, lijkt het onmenselijk om in dit weer buiten te verblijven.

IJsland is berucht om zijn ruige klimaat, maar bij vertrek schijnt de zon

Op eigen benen

Ineens benauwt de volle omvang van mijn onderneming me. IJslanders die ik tevoren over mijn plan sprak, raadden me met klem af om het eiland te doorkruisen. ‘Te voet, zonder auto? Helemaal alleen? Als vrouw?’ Wist ik wel hoeveel mensen nooit terugkwamen uit het onbewoonde binnenland? Ja, dat weet ik. Ik heb me grondig voorbereid: kaartstudie, routeopties en alternatieven plotten, proviand en depots plannen, rampscenario’s bedenken – voor als het water me mee zou sleuren, bijvoorbeeld, en ik mijn rugzak zou verliezen. Nee, ik denk er niet lichtzinnig over: solo door de wildernis trekken is niet zonder gevaar.

Mijn ervaring, intuïtie en voorbereiding, daar vertrouw ik op. Geheel alleen over IJsland trekken, van kust naar kust, dat is natuurlijk een sportieve prestatie – maar voor mij is het veel meer dan dat. Anders dan vanuit een auto of hotelkamer ervaar ik IJsland te voet pas echt in al zijn grootsheid en woestheid. Ik had ook een busexcursie kunnen boeken, die me binnen een dag van een geiser in de ochtend naar een hete bron in de avond brengt. Maar ik kies ervoor om diezelfde afstand af te leggen in een week, ploeterend door eindeloze moerassen. Juist lopend leer ik dit land kennen tot in zijn haarvaten.

In het holst van de nacht ren ik naar de hete bron en terwijl ik me in het warme water laat zakken, glijdt alle spanning van me af

Hveravellir is linksaf. Ik zet mijn tent op, prepareer de proviandpakketten en ren in het holst van de nacht naar de hete bron. Terwijl ik me in het warme water laat zakken, glijdt alle spanning van me af. De opstijgende damp vermengt zich met de uit de bergen afdalende mist, die ineens niet meer troosteloos is, maar mysterieus. Rondom mij sist, spuit en borrelt vulkanisch water op vanuit het middelpunt der aarde. Ik ben op IJsland! Wat ik ervan weet is boekenwijsheid, maar er is alle tijd het eiland te leren kennen, op mijn manier. Over een week of drie zal ik hier terugkeren. Niet per auto – dan kom ik op eigen benen aanlopen.

Jolanda is vol energie als ze op Hornstrandir begint aan haar 40-daagse trektocht

Poolvossen komen op IJsland al langer voor dan er mensen wonen

Enkele reis

De zon staat hoog aan de blauwe hemel en ik heb meteen spijt dat ik bezuinigd heb op een korte broek en T-shirt – die zouden op IJsland overbodig zijn, dacht ik. Toch zijn de vrouwen en kinderen op de rubberboot die ons aan land brengt nog veel lichter uitgerust: met wandelschoenen en dagtochtrugzakjes. De jongen van de Zodiac vertilt zich aan mijn grote rugzak en kijkt me vreemd aan. Zo’n blik had ik ook al gekregen bij het kaartjesloket van de veerdienst van Ísafjörđur naar het schiereiland Hornstrandir. Met welke boot ik terug wilde, werd me gevraagd. ‘Nee, geen retourtje, een enkele reis graag. Ik kom niet terug.’

Hornstrandir is een uitgesproken fjordenlandschap. In de dagen die volgen steek ik diverse bergruggen over en passeer ik talloze rivieren die in zo’n fjord uitmonden. Afhankelijk van het weer en mijn stemming zijn die baaien nu eens lieflijk, met oevers vol paardenbloemen en ooievaarsbekken, dan weer vijandig, met mistbanken en een onstuimige branding, maar nooit hetzelfde. Bij Hælavík kom ik twee poolvosjes tegen. Ze scharrelen langs de vloedlijn, op hun hoede maar niet bang. Net twee katten, de een wat groter dan de ander, met een donkerbruine zomerpels waarin al wat zilvergrijze haren van de nieuwe wintervacht pieken.

Geen boom te bekennen op Hornstrandir, toch maak ik bij Bolungarvík een kampvuur van drijfhout, dat vermoedelijk helemaal uit Siberië komt. Urenlang loop ik langs de rotskust, die bij Hornbjarg honderden meters hoog is. Rond mijn hoofd scheren drieteenmeeuwen en alken die op de kliffen hun jongen grootbrengen. De schaarse wandelpaden zijn gevormd door vroegere bewoners, waarvan ik soms nog een restant ontdek. In de baai Furufjörđur staat een houten kerkje, omgeven door ijzeren kruisen en overwoekerd door onkruid. Tegenwoordig is dit schiereiland onbewoond. Wegen of winkels zijn er niet, wel staan er langs de kustlijn wat kleine reddingshuisjes. Het kan hier spoken.

Jolanda’s solo-expeditie is net begonnen en het eerste vergezicht dient zich al aan

Koffie en kaneelbollen

Alleen de baai Reykjarfjörđur – IJslands voor Rookbaai – wordt ’s zomers bewoond door een handvol mensen. En hoe: ze hebben een zwembad gemaakt dat volloopt met het warme water dat ook hier uit de bodem opborrelt. Het blijkt heilzaam voor mijn vermoeide lijf. Met mijn zware rugzak klim ik elke dag wel drie keer een bult van vierhonderd meter over. Dat vreet energie, die ik nauwelijks kan aanvullen, omdat ik me verkeken heb op mijn benodigde voedselvoorraad. Mijn lunch bestaat uit vijf crackers en een handje rozijnen – duidelijk een misrekening. Honger maakt nederig: ik klop aan bij het huisje naast het zwembad om te vragen of ik wat te eten kan kopen.

Sigfrídur spreekt rap IJslands, ik babbel Noors terug en er is een verstandhouding die uitstijgt boven de paar woorden die we van elkaar begrijpen

Sigfrídur doet open, een blonde vrouw met een blozende baby op haar arm. Ze wenkt me naar binnen. Rugzak af, schoenen uit, gangetje door. Ik krijg een glas water en alvast een paar koekjes. Zij spreekt rap IJslands, ik babbel Noors terug en er is een verstandhouding die uitstijgt boven de paar woorden die we van elkaar begrijpen. Haar ogen zijn levendig, een mooie vrouw is het, ontspannen en in harmonie met haar omgeving. Ze knikt als ik haar over mijn tocht vertel, waar ik vandaan kom en waar ik heen wil. Geen fronsende wenkbrauwen, geen schuddend hoofd.

Ze blijkt geologe en vertelt over IJsland. De warmwaterbron is de enige van Hornstrandir, zes kilometer landinwaarts ligt de grote ijskap Drangajökull. Vuur en ijs: de twee strijdige elementen in het geologische wonder dat IJsland heet. De krachten die de aarde vormden zijn hier nog zichtbaar aanwezig. IJsland is voornamelijk vulkanisch van oorsprong, maar hier zijn het de gletsjers die het schiereiland vorm gaven. Sigfrídur besluit haar betoog met koffie en kaneelbollen. Die avond, in mijn tentje, doe ik me tegoed aan de koeken die ik van haar heb gekocht. Vijf dagen lang had ik niemand gesproken.

Hornstrandir is onbewoond: de huizen zijn verlaten, wegen zijn er niet

In je eentje een gletsjer op is taboe, maar bij de Drangajökull heeft Jolanda geen keuze

Op de vlakte

Niet te ver vooruit kijken, vertelt mijn intuïtie me, want ik heb mijn handen al vol aan het moment zelf – en zo’n moment is de Drangajökull. Waden door de wilde smeltwaterstromen eronder zou zelfmoord betekenen, dus ik moet de gletsjer op. In je eentje is dat taboe, want val je in een spleet, dan ben je reddeloos verloren. Het is kiezen tussen twee kwaden, maar gletsjertaal lees ik beter dan riviertaal. Op de oneindige witte vlakte zet ik elke stap behoedzaam, turend naar het sneeuwoppervlak. Die verlaging daar, zit daar een spleet onder? Het eerste uur giert de angst door mijn keel, maar vele uren later stap ik van de gletsjer af. Overleefd.

De volgende etappe dient zich aan: door de moerassen naar Hveravellir. Op de kaart staat een serie heiđi’s vermeld – IJslands voor vlakte, maar in de praktijk meestal moeras. Lopen met dertig kilo op mijn rug, daar heb ik voor getraind en ben ik op ingesteld. Waden met datzelfde gewicht, dat is een ander verhaal. Ik leer minieme verschillen herkennen in de moerasbegroeiing: wat is begaanbaar en wat niet. Het witte veenpluis wordt mijn vriend; dat groeit op doorweekte bodem waar je normaliter omheen loopt, maar hier betekent het: natte bodem, maar stevig genoeg om niet weg te zakken. Tot aan de horizon is het groen: de wereld is één groot moeras.

Sinds ik voet op deze groene bodem zette, word ik achtervolgd. Irritant zijn ze, op het onbeschofte af, die nietige vliegjes met witte sokjes aan. Muggen zijn het niet eens, ze steken niet. Ik maak mezelf dan ook wijs er geen last van te hebben. Laat ze. Maar ze kruipen in mijn neusgaten, kriebelen in mijn oren, wringen zich tussen mijn oogleden, bedekken mijn wang, plakken aan mijn lippen en als ik even door mijn mond adem, schieten er meteen een paar naar binnen. Gek word ik ervan. Ik sla en vloek, maar niets helpt, de zwerm blijft bij me. Pas als ik de tent in kan vluchten, veilig achter het muskietengaas, slaak ik een zucht van verlichting. Ik ben bevrijd.

Arnarvatnsheiđi is zo’n moeras waar nooit iemand komt; alle bussen rijden er met een grote boog omheen

In een moeraspoel transformeren bacteriën de ijzerhoudende modder tot kunst

Staande recepties

Arnarvatnsheiđi is de streek met de meeste meren van IJsland. Groot zijn ze niet, maar uit de dichte mist komt er elk halfuur wel een tevoorschijn. Navigeren valt hier nog helemaal niet mee: er klopt weinig van de vorm en omvang van de meren op de landkaart, waar ook geen coördinatenlijnen op staan. Met mijn gps-ontvanger moet ik zuinig omspringen, want door de lage temperatuur – het is zomer, maar hier is het vijf graden – zijn de batterijen snel leeg. Ik gebruik vooral mijn kompas, maar dat vergt rekenkracht: door het aardmagnetisme wijst het 19 graden te westelijk aan. Regelmatig sta ik voor een meer en dan moet ik gokken of de kortste omlooproute linksom of rechtsom is. Op goed geluk.

Al dagenlang regent het onophoudelijk. Overdag ben ik nat en koud en alleen door continu in beweging te blijven, blijf ik een beetje warm. Pauzes zijn staande recepties van een paar minuten, waarin ik snel een stuk chocola naar binnen schuif. Deze moerassen vergen het uiterste, fysiek en mentaal. De dreiging van het moeras. Bij elke stap opletten. Nooit zeker weten waar je precies bent. Een satelliettelefoon heb ik niet bij me en mijn mobieltje heeft alleen bereik op de ringweg rond IJsland. Als ik hier verdwijn, wie vindt me dan ooit nog terug?

Even terug in de bewoonde wereld: Hveravellir is een vulkanische trekpleister

De hete bron wordt aangelengd met koud regenwater, anders is het niet uit te houden

Heksengebergte

Ik ben op mezelf aangewezen en moet vrede sluiten met het slechte weer en zware terrein. Ik moet hier nu eenmaal doorheen. Krachten sparen. Dankbaar zijn voor kleine dingen. Met het moeras samenwerken. Het gaat niet vanzelf, maar het werkt. De macht van de natuur wordt me bijna een maatje te groot, maar doordat ik probeer er anders tegenaan te kijken, lijkt alles minder vijandig. Elke dag verheug ik me op het moment dat ik negen uur gelopen heb. Dan zet ik mijn tent op en komen de waterdichte zakken tevoorschijn, met daarin een droge binnentent, een droge slaapzak en droge kleren. Wat een luxe!

Dikke mist kringelt rond de bergen daarboven, waar ik geen hand voor ogen zal kunnen zien, terwijl juist daar modderpoelen en geisers verborgen zijn

Na 27 dagen ben ik terug in Hveravellir, waar ik eerder met de auto een proviandpakket had afgeleverd. Terwijl ik me opnieuw in het behaaglijke water van de hete bron laat zakken, valt ditmaal alle vermoeidheid van me af. Maar vooral geniet ik ervan om weer onder de mensen te zijn. Zoveel leven, zoveel beweging, zoveel stemmen. De ontmoeting met vreemden doet goed, even praten, even luisteren en vooral veel kijken. Maar dan pak ik mijn rugzak – aangevuld met de nieuwe voorraad – en trek de lavavelden in. Op naar de bergen van Kerlingarfjöll, het Heksengebergte, waar me de nodige geheimen wachten.

Dikke mist kringelt rond de bergen. Nog een uur klimmen, misschien twee, en ik zal erdoor omgeven zijn. Daarboven zal ik dan geen hand voor ogen kunnen zien, terwijl juist daar dampende modderpoelen en sissende geisers verborgen zitten. Bij elke stap knaagt de twijfel. Ik ben alleen. Een goede kaart van het gebergte is er niet en die vreemde vulkaanverschijnselen hier zijn me onbekend. Is er wel een kampeerplek te vinden? Hoe zit het met drinkwater in een gebied vol zwavelbronnen? Ik maan mezelf tot rust. Eén stap tegelijk. Als ik steeds had toegegeven aan mijn twijfel, was ik hier nooit gekomen.

Kerlingarfjöll is een grillig gebergte waar maar zelden bezoekers komen

In een sprookjesboek

De mist is nog dikker is dan ik me hem had voorgesteld. Er woedt hierboven een gure storm en er doemen sneeuwveldjes op. Rond mijn schoenen vormt zich een laag glibberige bruinrode modder. Het ruikt vreemd. Zwavel? Ondanks de kou baad ik in het zweet. Ik vang een glimp op van het landschap: roestrode en okergele ravijnen met slingerende rivieren en slierten rook. Staat er niet in de Edda, dat oude boek vol IJslandse mythologie, dat er bij het begin van de schepping slechts twee gebieden waren, een ijskoud Nifelheim en een gloeiend heet Mispelheim? Dan ben ik nu op de grens beland, in het decor van een sprookje. Elk moment kan het boek dichtslaan en is het verhaaltje uit.

Dit is het hart van IJsland, ik ben halverwege de twee kusten en de wind, kou, mist en hete bronnen zijn hartstikke echt. De wolken zakken weer en belemmeren het zicht. Ik hoor een steeds luider gepruttel en vlak voor me verdwijnt ineens de grond in een put. Het is doodeng maar onweerstaanbaar: ik móet over die rand kijken. Eén stapje dichterbij, voorzichtig. Kokend hete damp slaat in mijn gezicht. Ik schrik en trek me terug. De mist koelt mijn verhitte gezicht direct weer af. Wat wás dat? Ik trotseer de damp en buig me opnieuw voorover.

Twee meter lager zie ik felblauwe modder. Lichtblauwe bellen zwellen op, spatten uiteen en zakken terug in de rusteloze brij. Even is het stil, dan begint het gebubbel weer. De grens tussen schijn en werkelijkheid vervaagt, want als modder blauw kan zijn, wie ben ik dan om te twijfelen aan die heksen waaraan dit gebergte zijn naam ontleent? Deze berg is intrigerend, maar ook eng. Ik wil ik hier weg en snel ook! De afdaling leidt tussen kokende modderpoelen en sissende geisers door. Doodsbang ben ik om uit te glijden en levend gekookt te worden.

Kerlingarfjöll is een serieus berggebied en doorgaande paden zijn er niet

Het ene moment loopt Jolanda door de sneeuw, dan weer door een stomende vallei

Roze avondgloed

Beneden in het dal kronkelt een kleine maar woeste rivier, de Asgarđa, tussen gele, bruine en rode bergwanden. Aan weerszijden sissen hete bronnen en stromen zwavelwaterbeekjes de rivier in. De mist is nu weer gewoon een wolkendek, hoog boven me. Ik ben opgelucht dat ik veilig beneden ben aangekomen en houd pauze met een kop lauwe thee. Intussen speuren mijn ogen de rivier af naar een geschikte plek om over te steken. Dat doe ik hier minstens eenmaal per dag en door de vaak woeste stroming en gladde keien is dat geen sinecure.

Voor het geval ik onderuit ga en mijn rugzak kwijtraak, draag ik de belangrijkste zaken, zoals geheugenkaartjes, notitieboekje, lucifers, zakmes en een reddingsdeken, waterdicht verpakt op mijn lijf. Meer op kompas dan op de onnauwkeurige kaart vind ik mijn weg zuidwaarts door het gebergte. Na een paar uur lopen, inmiddels weer omhoog, stuit ik op een smal stroompje van schoon regenwater. Niet veel verder zet ik de tent op. Vlakbij spuiten kleine wolkjes zwaveldamp omhoog. Het stinkt er naar rotte eieren. Maar waar de tent staat is de grond stevig en vlak. Hij staat als een huis.

De wolken breken open en een lichtroze avondgloed glijdt over de toch al roodgekleurde bergen. Om me heen het doek van de tent, mijn warme slaapzak, zakjes droogvoer. Ik heb drinkwater. Ik voel me blij, dankbaar en voldaan. Natuurlijk, dit zou ik willen delen. Ik mis een goed gesprek, een lieve arm, mijn Frank. Even naar huis bellen zit er niet in, mijlenver verwijderd van wifi en mobiel bereik. Maar het alleen zijn went al.

Richting Landmannalaugur voert de route door verlaten en padloze bergen

Na een maand lopen komt Jolanda met elke stap dichter bij het eindpunt

De stilte doorbroken

Het Heksengebergte ligt achter me en wederom bevind ik me in volslagen ander terrein. Nooit eerder ben ik door zoveel verschillende landschappen gelopen. IJsland kent duizend gezichten, het toont zijn fronsen aan mij hooguit wat intenser dan aan de gemiddelde IJslandbezoeker. Ik probeer steeds minder ver vooruit te kijken. In die wazige bergketen aan mijn zuidelijke horizon moet de vulkaan Hekla liggen, vlakbij Landmannalaugar, maar het is niet meer dan een richtpunt. Zolang ik mijn dagafstand maar loop, blijft het eindpunt tot de mogelijkheden behoren. Toch voel ik enige haast: ongeveer veertig dagen kan ik over deze doorsteek doen, dan moet ik echt weer terug naar huis.

Met twintig kilometer per dag zou ik aan 34 dagen genoeg hebben om van kust tot kust te lopen: thuis aan de schrijftafel klinkt dat heel plausibel

Tussen de noordwestkust van Hornstrandir, waar het begin van mijn tocht lag, en het eindpunt op de zuidkust bij Skógar, ligt 675 kilometer onbekend terrein. Uitgaande van een gemiddelde van twintig kilometer per dag zou ik aan 34 dagen genoeg hebben om van kust tot kust te lopen. Thuis aan de schrijftafel klinkt dat plausibel. Maar de waterscheiding van IJsland volg je niet met je handen in je zakken over allerlei keurige wandelpaadjes. Die denkbeeldige lijn op de kaart verloopt op IJsland grillig en voert over en door gletsjers, hoogvlakten, moerassen, lavawoestijnen bergen, ravijnen en rivieren. En dan zijn er nog onvoorziene omstandigheden, zoals ziekte, ongeplande rustdagen en tijdrovende omwegen.

Ik loop al twee dagen over de woestijnvlakte van Öræfi, het centrale hoogland van IJsland, door een zee van gruisachtig lavazand. Een weids en leeg landschap, waarin afwisseling wordt gebracht door de stengelloze silene, een kussenvormig plantje met roze bloempjes. Zodra er iets van groen opduikt, meestal rond de grotere meren, onderbreekt de goudplevier de stilte: ‘Wieh-wieh-wieh.’ Eén nieuwsgierig vogeltje volgt mij, en fluit de hele dag door datzelfde deuntje. Kleine dingen krijgen steeds grotere betekenis: het uitblijven van blaren of blessures, de koffie nadat ik mijn tent opgezet heb, de foto’s van mijn moeder en geliefde die ik ’s avonds tevoorschijn haal. Tevreden val ik in slaap.

Het laatste deel van de tocht voert door alweer een onwerkelijk mooi deel van IJsland

De bewoonde wereld

Het is even wennen als ik arriveer in Landmannalaugar: kriskras door elkaar staan grote en kleine tentjes – als het onweerlegbare bewijs dat ik terug ben in de bewoonde wereld. Ik zoek een plek voor mijn eigen tent, als ik ineens mijn naam hoor: ‘Hé, Jolanda?!’ Ik kijk om en zie Katinka, die ik ken van thuis. Wat een toeval. Met het laatste traject voor de boeg en de zuidkust binnen handbereik kan ik me een extra rustdag wel permitteren. De volgende dag trekken we er samen op uit naar de Brandsgil-kloof. Na al die eenzame dagen voelt het als een groot geschenk.

De Laugavegur vormt het toetje van mijn tocht. Aanvankelijk keek ik er niet naar uit: na die maand in de wildernis zonder paden, staat er nu ineens een populair, gemarkeerd wandelpad op het programma. Mijn verwachtingen worden overtroffen: de bergen tussen Landmannalaugar en de zuidkust blijken adembenemend mooi. Ik val van de ene in de andere verbazing: gele bergen, groene bergen, rode bergen, roze bergen – zelfs grijsblauw komt voor in dit vulkaanlandschap. Rookpluimen stijgen op uit kraters, fumarolen en zwavelbronnen, ik zie kokende oranje modderpoelen omzoomd door gifgroen mos, enorme gletsjers komen steeds dichterbij, en een helling vol obsidiaan, gitzwarte vulkanische halfedelstenen, die in de zon glinsteren als glas.

Elke dag ontrafelen er nieuwe geheimen. De Stórihver is machtig met zijn metershoge witte stoompluim en het afwisselend zachte gesis en oorverdovende gebrom. Je móet er je rugzak afdoen, even stil zitten en kijken. Deze aardse kracht opsnuiven. Sommige wandelaars maken in het voorbijgaan snel een foto en vervolgen de route. Ik begrijp daar niets van. Hoe jong dit vulkanische gebergte ook is, vergeleken met de ouderdom van de aarde, IJsland straalt aan alle kanten oerkracht uit. Energie uit de diepte. Het duurde bij mij vele weken van intens opsnuiven, van soms angstig slikken en toch opnieuw weer ademhalen, doorgaan om die te kunnen aanboren. Op mijn manier.

Kleurrijke ryoliethellingen in natuurreservaat Fjallabak

De rivier Innri Emstrur stroomt door een diepe kloof richting de kust

Een fikse schouderklop

De resterende dagen tot mijn eindbestemming zijn op één hand te tellen. Twintig kilometer per dag hoeft niet meer; ik ga het toch wel redden. Ik zwerf een dag rond in het dal van Þórsmörk, de enige plaats op IJsland waar zoiets als een bos voorkomt, en na een moordende klim sta ik bovenop de hoge pas Fimmvörđuháls. Ik zie de zuidkust! Een laatste nacht in de bergen, kamperen tussen steen en ijs. Het ritueel van tent opzetten, potje koken en slaapzak uitrollen is vertrouwd, maar ineens verricht ik die handelingen bedachtzaam. Afscheid nemen doet pijn. Morgen sta ik aan de kust en is de tocht volbracht.

Dat betekent naar huis gaan, Frank weer zien, maar ook verse yoghurt, fruit en knapperig brood. Ik daal af langs bloedmooie watervallen, de beide gletsjers Eyjafjallajökull en Mýrdalsjökull lijken hier wel leeg te lopen. De zuidkust komt steeds dichterbij. De laatste waterval, Skógafoss, is de meest majestueuze van allemaal. Nog vijf kilometer tussen mij en de zee, nog vijf passen, ik ben er. Opnieuw de zee in voor een ijskoud bad als slotritueel. Ik moet ervan huilen en ben tegelijkertijd zielsgelukkig. Zo voelt het wanneer een ‘onmogelijk’ plan toch mogelijk blijkt. Het was me alle pijn dubbel en dwars waard.

Ik zou het uit willen schreeuwen, het verhaal van mijn tocht in iemands oor willen brullen om dan een fikse schouderklop te krijgen. Een finishlint willen doorbreken en ja, een daverend applaus zou ik ook niet afwijzen. Want het is over nu. Uit. Dat is óók wat de zuidkust betekent: afscheid. Maar ik zeg niets. De zee zegt genoeg. Af en aan beukt hij op het zwarte zand. Wit schuim spat op en vliegt om mijn oren. De zee is mijn applaus.

Elke dag een verrukkelijk moment: tentje opzetten en droge kleren aantrekken

Epische solovoettocht over IJsland
Jolanda’s trektocht voerde van de noordwestpunt naar de zuidkust van IJsland, grotendeels langs de waterscheiding en dwars door het onbewoonde binnenland. Van het fjordenrijke schiereiland Hornstrandir met zijn gletsjerkap de Drangajökull, liep ze naar de moerassen bij Arnarvatnsheiđi. Vervolgens langs de hete bronnen van Hveravellir en dwars door de vulkanische bergketen Kerlingarfjöll. Over de hoogvlakten van het centrale binnenland bij Öræfi ging het verder richting de bergen bij Landmannalaugar. Terug in de bewoonde wereld voerde de laatste etappe over het populaire langeafstandspad Laugavegur. Jolanda liep de tocht alleen en bevoorraadde zich slechts drie keer; eenmaal bij een zeldzame dorpswinkel en tweemaal middels van tevoren per terreinauto uitgezette voedseldepots. Ze legde de route van 675 kilometer af in 40 dagen.
Zelf wandelen op IJsland?
Het hoeft heus niet zo hardcore als Jolanda Linschooten het deed. In haar reisgids Bergtochten op IJsland staan 31 wandelroutes, variërend van ontspannen dagtochten tot meerdaagse trekkings. Compleet met plattegrondjes, praktische informatie, bezienswaardigheden langs de route en tips voor overnachtingsadressen. Alles wat je nodig hebt om bijvoorbeeld het schiereiland Hornstrandir of het populaire langeafstandspad Laugavegur zelf te bewandelen. De reisgids verscheen in 2014 en is te bestellen via Jolanda’s website of bij Bol.com.

Nieuwsbrief: € 0,-
De mooiste reisverhalen van de beste reisjournalisten in je mailbox? Meld je aan voor de maandelijkse nieuwsbrief.